Helpen met eten en drinken

<<

Techniek:

  assisteren bij het eten en drinken

Toepassing:

  het assisteren van een zorgvrager bij het eten in bed

Kernwoorden: professionele zorg

Observatieformulier : Helpen met eten en drinken

Materiaal

Werkwijze

Waar moet je op letten?

servetten of handdoek

celstofmatje

aangepast bestek

servies en drinkbeker

1 Informeer naar de mogelijkheden en beperkingen van de zorgvrager. Probeer de zorgvrager bij je activiteiten te betrekken: het houdt hem actief en dat geeft een prettig gevoel.
2 Bepaal in hoeverre de zorgvrager zelfstandig kan eten en drinken, waarmee je zou kunnen helpen en zeg wat je gaat doen. De zorgvrager kan zich voorbereiden op de handelingen en weet wat er daarbij van hem verwacht wordt.
3 Raadpleeg het zorgdossier en let daarbij met name op een eventueel dieet, geconstateerde slikproblemen, optredende misselijkheid of braakneigingen bij eten of drinken en andere mogelijk opgetreden complicaties bij het eten en drinken. Dit is noodzakelijke informatie om de zorgverlening af te stemmen op wensen en mogelijkheden van de zorgvrager.
4 Was je handen. In verband met de hygiëne.
5 Overleg met de zorgvrager in welke positie hij wil en kan eten: zittend of liggend. Probeer de zorgvrager zo comfortabel mogelijk te laten eten. Indien het hoofdeind van het bed omhoog kan, maak hier dan gebruik van.
6 Neem zelf zo plaats dat je goed oogcontact hebt met de zorgvrager. Zo kan de zorgvrager bepaalde wensen eventueel met oogbewegingen en gezichtsuitdrukkingen aangeven.
7 Als de zorgvrager alleen liggend kan eten, manoeuvreer hem dan in een zijligging, of vraag hem het hoofd opzij te draaien. Zo komt het eten en drinken in de wangzak terecht vanwaar de zorgvrager het zelf weg kan slikken. Hiermee kan verslikken worden voorkomen.
8 Controleer of de maaltijd daadwerkelijk voor de zorgvrager bestemd is. Voorkom dat de zorgvrager het verkeerde eten krijgt.
9 Bescherm de kleding van de zorgvrager met een servet of theedoek en houd zelf een servetje bij de hand. Als er eten op de mond of kin terechtkomt kun je dat meteen weg vegen.
10 Verwijder het verpakkingsmateriaal van het voedsel, zoals deksel, warmhoudfolie en dergelijke. Zo kan het eten wat afkoelen.
11 Plaats het eten in het zicht van de zorgvrager. Kijken naar eten wekt de eetlust op. Bovendien kan de zorgvrager aangeven wat hij niet wil eten.
12 Snijd grote stukken voedsel, vlees, groenten, en boterhammen e.d. in kleine stukjes. Zo kan de zorgvrager dooreten en hoeft hij zelf niet zo intensief te kauwen.
13 Overhandig de zorgvrager het geschikte bestek of neem dat zelf ter hand. Laat de zorgvrager zo veel mogelijk zelfstandig eten.
14 Bepaal met de zorgvrager de volgorde van het eten. Alles apart, achter elkaar of in combinatie. Houd je zoveel mogelijk aan de eetgewoontes van de zorgvrager.
15 Bespreek met de zorgvrager of hij liever met een vork of lepel eet. Houd je zoveel mogelijk aan de eetgewoontes van de zorgvrager.
16 Stel een hapje samen en breng het naar de mond van de zorgvrager. Let op het kauwen en wegslikken. Vraag daarna of de zorgvrager dit als prettig heeft ervaren. Zo kan de zorgvrager bij aanvang van het eten meteen aangeven wat hij liever anders heeft en kun jij daar direct rekening mee houden.
17 Let bij elke hap op of deze gekauwd en weggeslikt wordt. Is dit lastig spreek dan met de zorgvrager een teken af waarmee hij kan aangeven dat hij klaar is voor de volgende hap. Door rekening te houden met het eettempo van de zorgvrager voorkom je dat hij zich gehaast of juist geremd voelt.
18 Bespreek met de zorgvrager of en wanneer hij wil drinken. Ook in het drinkpatroon moet je zoveel mogelijk met de gewoonten van de zorgvrager rekening houden.
19 Las in overleg met de zorgvrager eventueel een eet- en drinkpauze in. Eten is een vermoeiende bezigheid. Vermoeidheid werkt eetlustbelemmerend. Een pauze kan weer energie opleveren.
20 Let goed op wanneer de zorgvrager aangeeft dat hij voldoende gegeten heeft. Voorkom dat je je laat leiden door het nog aanwezige voedsel in plaats van de wensen van de zorgvrager.
21 Veeg mond en kin schoon met het servet en verwijder de beschermende handdoek of servet. Voorkom dat de zorgvrager ook na het eten hiermee blijft zitten.
22 Ruim de gebruikte materialen op. Dat staat netjes.
23 Was je handen. In verband met de hygiëne.
24 Vraag aan de zorgvrager hoe hij de hulp bij het eten en drinken ervaren heeft. De zorgvrager vindt het fijn als hij zijn mening kan geven. De volgende keer kun je rekening houden met op- of aanmerkingen.
25 Rapporteer eventueel de hoeveelheid vocht die de zorgvrager heeft opgenomen op het vochtbalansformulier. Zo wordt de vochtbalans zo nauwkeurig mogelijk bijgehouden en beoordeeld.